ArtFrame.nl
Lans Stroeve
 

Joep van Lieshout


De kunstenaar en zijn werk

 

Het Rotterdamse havengebied. Een atelier 's morgens om kwart voor negen op een doordeweekse dag. Joep van Liehout (1963), beeldend kunstenaar - sinds 1995 onder de naam Atelier van Lieshout (AVL) opererend - heeft tot half tien tijd voor me. Ik word ontvangen in een ruim kantoor met computers, tafels, archiefkasten en een vergaderruimte. Er is een balie, de telefoon gaat voortdurend en een aantal mensen is druk bezig met kantoorwerkzaamheden. Buiten staan diverse auto's geparkeerd en overal lopen mensen rond met duidelijke doelen. Joep van Lieshout heeft zowat dertig medewerkers in dienst. Ook in de enorme werkplaats, een vroegere katoenopslag, zijn veel mensen aan het werk. Er wordt met veel lawaai gezaagd, gelast en getimmerd aan diverse lopende projecten en al doende aan het omverwerpen van het hele clichébeeld van de eenzame, prettig uitgeslapen en voor zich uit starende kunstenaar. Hier zijn duidelijk doenders aan het werk. AVL oogt -zo nog redelijk vroeg in de morgen- als Richard Scarry's Bezigstad. Links wordt gewerkt aan een opdracht uit Duitsland om een omheining te maken en liggen er een soort tankversperringen in felblauwe verf te drogen. Rechts staan twee kluizenaarshutten inclusief open haard en bed klaar voor een tentoonstelling. Verderop ligt een gigantische AVL-man; een soort driedimensionale uitgave van het detailloze mannetje dat we vaak naar een rechthoekje zien rennen als er een nooduitgang wordt bedoeld. En in het midden van de ruimte ligt een wc, met compostbak voor de menselijke uitwerpselen, op z'n kant. Dat laatste waarschijnlijk voor het grootste project in uitvoering. Al jaren is AVL bezig met het realiseren van AVL-Ville. een 'pseudo-autarkische vrijplaats', een soort dorpje in de stad maar met een eigen grondwet, een eigen vlag en zelfs een eigen muntsoort. Een geheel zelfvoorzienende commune met zaken als bijvoorbeeld een generator voor de stroom, een grote wrakhoutgestookte kachel, een complete boerderij, een eenvoudig veldhospitaal, een brouwerij voor wijn, bier en medicinale kruidendrankjes en een wapenwerkplaats: het 'Atelier des Armes et des Bombes'. Er zijn regelmatig feesten en festiviteiten en er wordt gewerkt aan een restaurant waar door steeds wisselende koks zal worden gekookt en er komt een hotel voor gasten van over de grenzen. Een vrolijk oord voor jongens en jongensmeisjes.

Ondertussen is het werk van Atelier van Lieshout, getuige het overdonderende curriculum vitae, al op bijna alle belangrijke tentoonstellingen in binnen- en buitenland te zien geweest en hebben verschillende bekende musea zijn werk in de collectie. Joep van Lieshout, een man met opgerolde mouwen.

 

Het gevang

 

AVL maakte ook de inrichting van de bezoekerszaal in de Penitentiaire Inrichting Hoogvliet in Rotterdam, die in november vorig jaar is opgeleverd.

Joep van Lieshout: "Ik heb eerst een beetje rondgekeken in de bestaande gevangenissen omdat het wel belangrijk is te weten wie onze klanten en gebruikers zijn." (Je hebt zelf geen strafblad? "Nee, helaas, moet ik zeggen") "Het was allemaal supernetjes maar helemaal fout en heel gevoelloos. De gevangenissen deden heel erg denken aan middelbare scholen of ziekenhuizen dus ik zou -bij wijze van spreken- nog liever in een Victoriaanse gevangenis zitten met schimmel op de muur dan in zo'n helemaal dooie ruimte. Verschrikkelijk."

"Ik vond dat er in een bezoekersruimte een beetje drama moest komen om een diepe indruk achter te laten op de mensen die elkaar maar eens in de maand of eens in de drie maanden zien. De inrichting is degelijk, wat ouderwets en geeft een beetje het idee van een klooster. Beukehouten stoelen, tafels van mixed hardwood en een soort glas-in-loodraam. Het raam is het pièce de résistance. Ik vind bloemen mooi, ik maak er graag gebruik van maar het komt er meestal niet van. De stijl is een beetje naïef, het zou bij wijze van spreken door een gevangene zelf gemaakt kunnen zijn. Het is eigenlijk gewoon mijn eigen stijl. Hollandse bloemen; tulpen, sneeuwklokjes. Iets heel normaals. Door het stugge materiaal was er niet veel vormvrijheid en de tralieruimte was natuurlijk een gegeven. De wettelijke voorschriften geven aan dat de afstanden kleiner moeten zijn dan dertien bij dertien centimeter want daar kan iemand nog doorheen. En het was een eis dat er een raam open kon. Dat was dan meer psychisch dan dat het nodig was, want er is daar gewoon airconditioning."

"Maar de mensen die gebruik maken van de ruimte kijken nergens naar. Ze kijken alleen maar naar wie er op bezoek komt. Je kan ernaast de meest vreemde dingen gaan doen maar het maakt ze geen zak uit wat er om hen heen gebeurt."

 

 

 

Er staan hier twaalf ronde tafels. Houten tafels, houten stoelen op een

houten vloer onder een houten plafond. Voor het kleine volkje is er een lage

tafel met vijf ronde krukjes als de vijf kroonbladen van een bloemetje.

Ik heb uitzicht op een fraai gestyleerde tuin waarin van alles in bloei staat:

anemonen, tulpen, klokjes en asters, onder een straffe, strakblauwe hemel.

Een feestje.

 

Ik heb de neiging om schoenen en sokken uit te doen. Drie van de grotere

bloemen staan met hun gezicht recht naar me toe. Hun hart kan geopend

worden door een hendel om te zetten. Een rond raampje valt aan een schar-

nier opzij en laat een honingraat zien waardoor de koude winterlucht pal in

het gelaat blaast. Dat maakt wakker. Ik zit in de gevangenis.

 

Nuchter beklop ik het harde staal en de dikke beschilderde lagen polyester

waardoor het daglicht gefilterd binnen komt. Wij zijn hier niet in een gaarde

of in een lusthof. Dit is geen hortus met hardhouten tuinmeubilair. Net nog

ben ik op een grauwe dag in december met de auto vanaf Rotterdam-

Centrum naar een nieuwbouwwijk in Hoogvliet komen rijden. Ik ben langs

allerlei beveiliging gegaan. Er is genoteerd wie ik ben en wat ik hier kom

doen en dat ik vandaag, na afloop van deze korte verpozing, gewoon weer

naar buiten mag lopen. Ik ben geen gevangene.

 

 

 

 

 

Lans Stroeve

 

 

Gepubliceerd in SMAAK: Stedenbouw, Monumenten, Architectuur, Architectuurbeleid, Kunst

Rijksgebouwendienst, Blad voor de Rijkshuisvesting,

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

April 2001, jaargang 1, nummer 1

 

 



Pieter Laurens Mol


Geen broodje in een lichtkast

 

Pieter Laurens Mol (1946) maakte voor het gebouw van de Nationale Ombudsman in Den Haag twee prachtige kunstwerken met de titels Auditorium en De Snelbode, waarover ik hem spreek in zijn atelier in Breukelen. Vooral buiten onze grenzen is hij als beeldend kunstenaar vermaard en krijgt hij terecht veel belangstelling. Maar hij is geen 'doorgewinterde opdrachtman'. Over het ontstaan van deze twee werken vertelt hij uitvoerig en zijn zinnen zijn prettig om naar te luisteren. Af en toe word ik even afgeleid door een verrassend beeld op de grond of aan de muren. Er is veel te zien.

Pieter Laurens Mol: "In eerste instantie was het afleidend om alleen af te gaan op omschrijvingen en tekeningen van het gebouw en ik was dan ook blij dat ik het in de praktijk kon zien en aanvoelen. Maar het viel niet mee om daar iets op te enten. Eerst dacht ik eraan iets met de deuren te doen, die maken zo'n uitgesproken gebaar vanuit het gebouw. Als twee ontvangende armen staan ze de hele dag open en het zijn tevens een soort sluisdeuren. Ik moest iets in de entreepartij doen, dat was de enige aangewezen plek waar iets zou kunnen. Toen ik langzaam maar zeker zag dat alles al bedacht was en was ingevuld dacht ik 'Jeetje, wat moet ik nou doen?' Het moest een hele bescheiden articulatie zijn van mogelijkheden die in de architectuur al aangegeven waren. Ik zag het misschien in aanvang als een draak maar toen besefte ik dat ik die draak maar moest proberen te berijden. Ik moest het in metaforische zin zoeken, in poëtische zin; dus iets wat het instituut voorstelt of waar het voor staat. En zo is eigenlijk het idee van een oor geboren. Ik vond het wel een goed idee en van enige poëzie getuigen om het gebouw te laten luisteren."

 

Bronzen oren

 

Auditorium werd de titel voor een nesteling van een groot aantal bronzen oren op de trappartij in de hoofdingang. "In het begin had ik het idee om de stootborden van de treden helemaal met bronzen friezen te bezetten. Dat wil zeggen; bronzen borden waar een min of meer regelmatige oorstructuur op zou zitten over de hele lengte van de treden. Maar het is een modernistisch gebouw met hedendaagse materialen, een rechttoe-rechtaan betontrap met zware treden, met in verhouding maar een klein opstapje. Wat je dan krijgt is toch een soort spekkoek. En het werd ook heel decoratief. Dat was het eerste modelletje."

"Toen heb ik die trap gewoon zelf het werk laten doen en zag ik hem ineens als een versteende golfslag waarbij de oortjes doen denken aan een oesterkwekerij. Ze zijn uiteindelijk geplaatst in een intuïtieve structuur. Wat ik belangrijk vind is een zekere muzikaliteit; een tinteling die ontstaat door afwezigheid en aanwezigheid. Zo'n oortje is een kleinood, een klein bronzen werkje, maar door de hoeveelheid, door er tachtig te gebruiken, krijgt het geheel een soort monumentaliteit."

 

Globe

 

En dan de Snelbode. "Een grote foto, opgenomen in de aanwezige glasgeledingen van de entree. Een mise-en-scène waar ik zelf als personage in vertoef en waarin ik een werldbol als een kind koester en in veiligheid breng in het gebouw. De voorstelling is bijna een pictogram; zo'n mannetje wat je langs de verkeersweg ziet als je panne hebt met de auto, zo'n vluchtweg. Aan de ene kant vond ik het interessant om een beeltenis te nemen die je meteen herkent en die aansluiting heeft met pictogrammen en aan de andere kant een net andere invalshoek heeft door de techniek die er gebruikt is. Zo'n manier van werken, die transparantie, maakt zich heel gevoelig voor een lichtbalans. Je zult momenten hebben waarin je veel minder ziet dan anders en het hangt erg af van je standpunt. Men zei toen het net geïnstalleerd was: 'Het is zo'n mooi ding, maar we zien het niet altijd zo goed', maar dat is nou net hoe ik vind dat het moet zijn. Het moet een beetje ademen. En dat het opleeft en weer uitdooft afhankelijk van hoe je je beweegt in die voorruimte. Want als je aan de ene kant licht aanbrengt dan zie je het inderdaad goed maar dan lever je dat aan de andere kant weer in, dan slaat -ie blind en zie je een dood zwart vlak. Dat is eigen aan die techniek. Ik had het wel kunnen oplossen door het in een lichtkast te zetten, maar dat vind ik geen oplossing. Een broodje met een hamburger bij McDonald's zet je in een lichtkast. Reclame."

 

"De snelbode, in een omgeving van diep blauw; de kleur van autonomie en geestelijke vrijheid, komt de wereld afleveren. De globe is van oudsher een motief om uitdrukking te geven aan een zekere betrokkenheid omtrent de toestand in de wereld. Dus ik vond het wel op z'n plek bij het Ombudsmangebouw." 

 

 

 

Tekst: Lans Stroeve

Gepubliceerd in SMAAK: Stedenbouw, Monumenten, Architectuur, Architectuurbeleid, Kunst

Rijksgebouwendienst, Blad voor de Rijkshuisvesting,

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

juni 2001, jaargang 1, nummer 2



John K├Ârmeling


De A12 maatschappelijk geschikt gemaakt

 

Eén van de tien 'Grote Projecten' die het Rijk eind 2000 met de architectuurnota Ontwerpen aan Nederland, Architectuurbeleid 2001-2004 lanceerde is het Routeontwerp Rijksweg (A12). De plannen voor de A12 van architecten (-bureaus) Must, Post-L30, MonoLab en John Körmeling zullen als onderdeel van de tentoonstelling De Grote Projecten, Nederlands architectuurbeleid in perspectief van 17 februari tot en met 5 mei 2002 te zien zijn in het Nederlands Architectuurinstituut (het NAI) in Rotterdam.

 

De kaart van Körmeling

 

Kunstenaar en architect John Körmeling (1951) woont en werkt in Eindhoven. Ik rij op een gure januarimorgen met de auto vanuit Rotterdam naar Eindhoven en word ontvangen in een steenkoud atelier waar we koffie drinken met de jassen aan. Tussen het gereedschap en de werkbanken staat een kleine heteluchtkachel waar we naast gaan zitten en ons over een enorme kaart van Nederland buigen. Körmeling heeft met ferme hand de 'doodlopende' snelwegen doorgetrokken, omgelegd en met een liniaal een lijn gezet; zijn splinternieuwe weg van Rotterdam naar Ruhrgebied, eenvoudigweg van A naar B. Deze kaart is de verbeelding van zijn plan voor de A12 en voor enkele andere knelpunten in het wegennet van Nederland. Een tekst van zijn hand begeleidt de kaart.

 

'Slimme wegen'

 

In 1994 maakte hij een tekening van Nederland zonder oost- en zuidgrens met de titel 'slimme wegen', waarop met dikke lijnen wegen staan aan gegeven, zes in totaal, die elkaar kruisen en samenkomen in de Randstad en in de industriegebieden van onze buurlanden. Langs die lijnen is met blokjes de bebouwing aangegeven en de rest van Nederland is vrijwel leeg. Dat zijn uitgestrekte natuurgebieden met hier en daar de ruïnes van de oude steden.

Autowegen moeten in zijn ogen weergaloos breed zijn; een heerlijke asfaltvlakte met twaalf rijstroken heen en net zo heerlijk met twaalf rijstroken terug. Het getal twaalf is een voorbeeld. Het kunnen er minder zijn. Maar ook zeker meer. Een 'pak' wegen, zoals hij dat noemt; paralelle wegen en banen, met continue mogelijkheden om hard door te rijden, af te slaan, te stoppen of over te steken. Sociaal, met plaats voor iedere weggebruiker, ook voor het langzame verkeer.

 

En met stille, niet vervuilende auto's in het vooruitzicht kan het prima wonen zijn, langs zo'n baan, ergens in zo'n blokje, dat aan de achterkant misschien wel uitzicht op de wildernis heeft. Ik moet zeggen: mij lijkt het wel wat. En een simpel adres: A12, 16.548a om maar een dwarsstraat te noemen. De auto voor de deur, instappen, invoegen en rijden maar.

 

Körmeling zit vol met oncoventionele ideeën. Om een beetje bij auto's, wegen en vervoer te blijven bijvoorbeeld. Zo stelt hij een toeristische route voor van tachtig meter hoog in een verder vlak land om uitzicht te hebben op een naderende stad, een hondenpak voor inzittenden van auto's met een grijs kenteken, een kleed met een grote P erop om de auto op te parkeren of een drive-in reuzenrad voor een autotochtje.

 

Wagenpark

 

In de tuin van zijn huis staan onder een afdak zijn zelf ontworpen auto's. Zeventien witte duiven vliegen op als wij naar buiten komen en fladderen naar het dak. Dieren, planten en bomen rekent Körmeling tot langzaam verkeer. Zouden duiven bij het vliegverkeer horen?

 

De auto's zijn rechthoekig en bestaan uit een aluminium buizenframe met eenvoudige kuipstoelen om liggend in te sturen of als passagier in te relaxen. Er is 'De Vierkante Auto', de Variomatic Sport 1100 cc met een DAF 55 motor, 'De Platte'; een raceauto voor het hele gezin, met drie 'chaises longues', een 1400 cc Rovermotor met CVT (continue variabele transmissie) en 'De Nieuwe'; een zespersoons auto waar een V4 Stirlingmotor in aangebracht gaat worden. Frits Philips, die nu ver in de negentig is, en de voorvechter van het 'Stirling Project', wil nog graag een tochtje maken in deze 'De Nieuwe' van Körmeling. Ik vind het een indrukwekkend wagenpark. Hier staan drie originele basisauto's zomaar in een winterse achtertuin in Eindhoven.

 

De ideeën van John Körmeling over de aanleg van zijn 'wegenpakken' mogen in de praktijk waarschijnlijk struikelen over van alles en nog wat, zoals de ligging van de huidige gemeentes, kanalen, monumenten of natuurgebieden, ik kan het toch niet helpen fluitend terug te rijden naar Rotterdam. En Eindhoven verlatend via drempels, rotondes en verkeerslichten sluit ik opgewekt aan in de file op de snelweg.

 

 

 

Tekst: Lans Stroeve 

Gepubliceerd in SMAAK: Stedenbouw, Monumenten, Architectuur, Architectuurbeleid, Kunst

Rijksgebouwendienst, Blad voor de Rijkshuisvesting,

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

februari 2002, jaargang 2, nummer 5

 

 



Fransje Killaars en Mathieu Bruls


De complementaire samenwerking tussen kunstenaar Fransje Killaars en architect Mathieu Bruls

 

In Utrecht, tegenover station Overvecht, staat een nieuw gebouw van de belastingdienst waarin beeldend kunstenaar Fransje Killaars en architect Mathieu Bruls de opdracht vervulden het interieur te ontwerpen. In eerste instantie ging het om twee verdiepingen, de derde en de vierde, maar in totaal zullen er vijf etages, in de komende maanden, door dit duo onder handen worden genomen.

Het werk verkeert nu nog in verschillende stadia van uitvoering. Her en der staan de ladders en de emmers van de schilders, er staat bouwmateriaal voor het interieur van Mathieu Bruls en grote rollen vaste vloerbedekking liggen dwars op de vloeren. Maar op één van de etages zijn de grote lijnen al goed te zien, misschien wel juist door het ontbreken van de kantoorbenodigdheden, de rommel en de werknemers. Met excuus.

Geen gemakkelijk gebouw om iets op te enten; grote, open verdiepingen met te laag plafond, waardoor je het idee krijgt als miniatuur in een postarchiveringskastje te staan, met de druk van de bovenliggende etages duidelijk te voelen.

Mathieu Bruls weet die ervaring op een prachtige manier teniet te doen door het plaatsen van transparante glazen wanden, onderverdeeld in horizontale, rechthoekige vlakken en daarmee cellen, kamertjes te creëren die door hoge deuren, met de klink bijna op schouderhoogte, zijn te betreden. Bruls duwt de witte plafonds omhoog door de toepassing van die enorme deuren en door het gebruik van zwarte vloerbedekking krijgt de ruimte een duidelijke bodem. Hij heeft de verdiepingen met elkaar verbonden door middel van een ruime vide met een trap waardoor de ruimte-beleving aanzienlijk verbetert. Tegenover zijn ontwerp gedraagt het werk van Fransje Killaars zich geheel autonoom en slingert zich op eigen wijze over de verdiepingen in schitterend felle complementaire kleuren, zo nu en dan door de architectuur van Bruls geïntensiveerd tot kleine kleuren kabinetten, maar door zijn transparantie niet 'gevangen' om daarna weer door te gaan of juist te stoppen op onverwachte plaatsen. Killaars weet, door haar werk op een hoogte van 1.80 meter, te laten eindigen, bij te dragen aan de door Bruls aangezette menselijke maat in deze ruimte. Hoewel hun werken in discipline en ideologie uiteen liggen ontstaat er een spannende dialoog en een fantastisch driedimensionaal spel. Het gebouw heeft, wat het interieur betreft, een mooie, eigen identiteit gekregen.

 

Kleurinstallaties in textiel

 

Beeldend kunstenaar Fransje Killaars (Maastricht 1959), is vooral bekend geworden door haar onderzoek naar de werking van kleur in grote textiele, 'tactiele' installaties. Aan haar werk zijn vele publicaties en tentoonstellingen gewijd in binnen- en buitenland. Zij woont en werkt in Amsterdam.

Tapijten, bedden en beddenspreien kleden een gegeven ruimte, bijvoorbeeld de 'Istallatie Fort Asperen 2001' in oogverblindend felle kleurtegenstellingen. Haar installaties maken de toeschouwer door de visuele en tastbare werking en de suggestie van gebruik van de textiel tot deelgenoot. Bij een aantal werken zeer intens, zoals bij 'Installatie Kalsruhe 1995-2000', waar je door de schering- en inslagdraden opzij te duwen de ruimte kan betreden. Als een soort rituele inwijding. Een beleving in kleuren en materie, versterkt door het dragen van gekleurde overtreksloffen waardoor, tijdens het lopen, steeds nieuwe kleurcombinaties worden gemaakt. Sterker dan in de schilderkunst mogelijk, de discipline waarin Killaars is opgeleid, werkt kleur op deze manier in op de ruimte en op de beschouwer.

De ruimte wordt getransformeerd, door haar uitgesproken kleurgebruik zoals bij 'Fullcolor 2000' in het gebouw van Stichting Fonds voor  Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst in Amsterdam, waarbij de muren als drager worden gebruikt en door de toepassing van het medium stof met zijn specifieke eigenschappen er een nieuwe beleving van de ruimte wordt bereikt.

Haar werk heeft een ontwikkeling doorgemaakt van monochrome schilderijen in complementaire kleuren, en doeken waarbij de ruimte al duidelijk betrokken werd door ze van de wand op de vloer te laten doorlopen, naar de hevig ruimtelijke en omvattende werking van haar kleurinstallaties in textiel met, voor intieme binnenruimtes, vertrouwde elementen als bedden, kussens en vloerkleden. En nu deze, direct op de muren geschilderde, felle compositie in het gebouw van de Belastingdienst.

 

Verdieping in kleur

 

In haar atelier spreek ik Fransje Killaars over dit project en over de samenwerking met Mathieu Bruls.

Wat maakt nu het verschil tussen textiel en verf, zoals bij deze toepassing in het gebouw van de Belastingdienst? "Wat ik belangrijk vind aan textiel is dat het een tactiel medium is. Je bemerkt aan bezoekers een soort Pavlovreactie, men wil direct voelen, betasten. De installaties nodigen zelfs uit om te gaan zitten en liggen. Vaak hoor ik dat het werk in eerste instantie bijna agressief overkomt, teveel is, niet te bevatten is, en dan, na een tijdje 'erin te zijn' wordt het poëtisch en rustig en gaan mensen het omgekeerd ervaren. Het medium roept dat ook op, het voelen verbindt zich met een andere eigenschap, je wordt er een onderdeel van, ook visueel. Vergelijk het met een druk plein; als je tussen de mensen staat geeft dat een ander gevoel dan wanneer je de massa vanaf een afstand ziet.'

'Dat tactiele is hier weggevallen. Mathieu Bruls had een plan voor de inrichting van het gebouw gemaakt en uitgaande van dat gegeven, waarbij een aantal facetten vrij dwingend waren, zoals de opdeling van de wanden en het gebruik van horizontale jaloezieën. Ik heb een eigen schil binnen die gegevens. Dit werk verhoudt zich meer rechtstreeks tot de schilderkunst. Ik heb de ervaring in het maken van textielinstallaties meegenomen en nu voel ik in feite niet veel verschil in het ontwerpen van dit of dat. Maar de beleving is inderdaad anders. Toch is dit natuurlijk een gebruikersruimte, een kantorenpand. Zo gezien is dit werk in zekere zin meer toegepaste kunst. Spannend was het ontwikkelen van een kleurplan voor een heel gebouw. Dat heb ik gedaan middels friezen, horizontale banden van 78,5 cm, 180 cm boven de vloer, boven ooghoogte, waardoor je, als je zit, niet een onrustig gevoel krijgt over allerlei kleuren die zich aan je oog manifesteren. Ik ben uitgegaan van complementaire kleurstellingen op iedere afdeling. De schaduwkant van het gebouw met heldere kleuren en de lichte kant met donkere kleuren. Het is een soort beeldverhaal dat je gaat lezen want onder die banen zijn verschillende kleurvlakken die zich autonoom gedragen ten opzichte van het ontwerp van Mathieu Bruls; ze houden niet op bij zijn wanden maar spelen er doorheen. Steeds komt dat terug op andere verdiepingen maar met een andere frieskleur erboven zodat je een voortdurende wisseling in kleurtegenstelling krijgt.

Het was een vrij gewaagd plan met soms zzelfs fluorescerende kleuren. En ik ben dan ook benieuwd naar de reacties van de gebruikers. Men is er al heel enthousiast over.'

 

Bruls

 

Architect Mathieu Bruls (Wijnandsrade, 1960) volgde zijn opleiding tot architectonisch en stedenbouwkundig ontwerper aan de TU in Eindhoven en ontving vervolgens een startstipendium en meerdere werkbeurzen bij het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst. Hij realiseerde vele opdrachten op het gebied van stedenbouw, architectuur en interieur, was hoofddocent aan de Academie van Bouwkunst in Maasstricht en hield verschillende gastlezingen aan de Academies van Bouwkunst te Amsterdam, Rotterdam, Tilburg, Maastricht en de TU Delft en de TU Eindhoven. Diverse publicaties in nationale en internationale vaktijdschriften staan op zijn naam. Bruls is zelfstandig architect en mededirecteur van een architecten-, stedenbouwkundig- en ingenieursbureau in Maastricht. Het bureau is voornamelijk in het zuiden van het land actief maar er zijn ook werken met de mooie signatuur van BV Bruls en Co die meer bekend zullen zijn in de Randstad zoals het interieur van het Barend & Witteman café op de Plantage in Amsterdam en de inrichting van het McKinseykantoor op de 4e en 5e verdieping van het Amsterdamse wetenschapsmuseum New Metropolis.

 

Statement

 

Ik spreek Mathieu Bruls in een luidruchtig restaurant in Utrecht. Samen met een van zijn medewerkers, Bas Merx, luister ik naar Bruls die bijna onafgebroken aan het woord is, heel geestdriftig en gedreven over architectuur, de bouwwereld en de beeldende kunst praat, en daarbij zeer onderhoudend is.

De eerste vraag was die naar de samenwerking met een beeldend kunstenaar. 'Nog niet eerder heb ik zo intens samengewerkt met een kunstenaar. Vanaf mijn pubertijd ben ik al geïnteresseerd in beeldende kunst en deze voorgestelde samenwerking vond ik al vanaf aanvang heel interessant. Om enerzijds mee te gaan in datgene wat ruimtelijke interieurarchitectuur heet en anderzijds hoe de autonomie van Killaars' werk zo intens mogelijk tot z'n recht te kunnen laten komen. Omdat wij veel bouwen, is het niet meer zo dat we bij elk ontwerp onze eigen principes, onze eigen taal of ons eigen statement tot het gaatje moeten uitdragen, waardoor ons werk de laatste jaren steeds gedienstiger wordt. Zelfs zo dat we, toen we in de gaten kregen wat de aard van Killaars' werk inhoudt, ons eigen werk nog wat terughoudender gemaakt hebben. Met name onze kleurstellingen hebben we heel ingetogen gehouden. Ons meubilair wordt nu alleen in witte-, zwarte- en grijstinten gehouden. De nadruk wordt eigenlijk alleen gelegd op materiaal. Ik denk dat in dat contrast wel voldoende gastvrijheid naar elkaar geboden wordt. Ik maak niet vaak mee dat ik in mijn werk geconfronteerd word met het concept van iemand anders waarvan ik het eindresultaat niet in zijn geheel kan overzien. En het niet zelf tot in extenso ten einde heb gedacht waardoor dit project voor mij interessant is. Onze eigen preoccupaties worden zo ook wat relatiever.'

'Ik vind overigens dat de beeldende kunstwereld niet in de gaten heeft hoe groot de behoefte in de wereld is aan een invulling in de toegepaste ruimte. Mij verbaast het dat men nog steeds autonoom wil werken, terwijl ik denk; kijk om je heen. De architectuur hunkert op dit moment naar input van kunstenaars om de leegte die wij, met onze architectuur, aan het bouwen zijn, - want dat doen wij de laatste tijd toch wel, allemaal van die hele abstracte kisten en dozen -, om die leegte op een intensieve manier te vullen. In het klassieke bouwen was dat nooit een vraag; toen had je de beeldjes, de muurschildering, de zuil en de kolom. We zijn in dat toegepaste werk, ook in de laatste honderd jaar, niet veel verder gekomen dan een beeld op een crusiale plaats te zetten en een muurschildering op de wand die er om vraagt. Dus ik ben erg blij met de verregaande input van Killaars' werk waardoor de ruimtebeleving sterk verandert.'

 

Commitment

 

'Wat ons werk inhoudelijk betreft, is het geheel best divers, je kunt niet zeggen dat we altijd in beton werken, of altijd voor traditioneel baksteen kiezen. We werken met allerlei materialen en het is de manier waarop we die materialen gebruiken waardoor onze specifieke taal gevonden wordt. En dat blijkt ook in de praktijk; mensen herkennen onze werken aan de manier waarop materiaal behandeld is, hoewel de ontwerpen zeer verschillen. Ik vind ons werk in dat opzicht heel klassiek. Wij permitteren ons met ons bedrijf om de dingen die we doen, met hart en ziel te doen. Anders doen we ze niet. We laten wel eens een project schieten of we geven het zelfs terug als we merken dat ons 'commitment' niet op z'n plaats is. Als de klant er eigenlijk geen behoefte aan heeft en misschien naar een tekenbureau of naar een gewillig oor op zoek is en niet zoekt naar meedenken of onze intellectuele bagage wil gebruiken. Dan houdt het een beetje op.'

'De laatste vijftien jaar hebben we ook veel interieurprojecten gedaan en daarbij ook een belangrijke meubellijn ontwikkeld. Wij proberen vooral de dingen niet al te vergankelijk te maken, zodat ze niet alleen fysiek lang mee kunnen, meubels overleven ons sowieso al ruimschoots, maar dat het werk met name in de appreciatie kan overleven. Dus dingen maken die niet al te hip zijn, waarbij ze morgen weer 'uit' kunnen zijn, want dat is de prijs die je voor hip betaalt. Meer producten die eigenlijk een beetje bezijden die wereld staan, en fundamenteler zijn. We hebben in Maastricht eens het interieur van een modewinkel gemaakt en toen is die zaak na een jaar of zes overgegaan in andere handen. Er is geen wereld zo hip als de modewereld en toch heeft men het interieur zo gehouden als het was. Met vlag en wimpel zijn we door die test gekomen.'

 

Schaal en maat

 

'Bij het inrichten van dit gebouw van de Belastingdienst, wat we overigens een slecht gebouw vinden, zaten wij voor het maken van het interieur met de gebakken peren. Het is zo'n gebouw dat je bijvoorbeeld niet meer met een fatsoenlijk plafondsysteem kunt inrichten. De meerkosten vliegen je om de oren. Het is hele eenzijdige, kortstondige projectontwikkeling. Aansluitend daarop vind ik eigenlijk dat in de bouw, en met name in datgene waar commerciële projectontwikkelaars mee bezig zijn, er erg veel geld aan de verkeerde zaken wordt uitgegeven. De wereld van de bouw wordt overspoeld door lelijke halffabrikaten. Schijnbaar hebben we daar met z'n allen vrede mee. Zoveel leifdeloosheid op elkaar gestapeld. En alleen nog maar systemen inkopen. Een wandsysteem, een plafondsysteem en zo bij elkaar opgeteld, geeft dat niet het gevoel dat je in een stabiele ruimte zit. Wij willen juist stabiliteit bemiddelen versus deze instabiliteit.'

'In het algemeen is het eerste wat wij doen zo'n gebouw proberen te begrijpen, mede aan de hand van tekeningen. En dan in een heel vroeg stadium interveniëren in de structuur van het gebouw. Opnieuw structuur en orde aanbrengen. Bijvoorbeeld het quasie steenachtige wat bij het gebouw wil horen aanbrengen, balken en al dat soort zaken suggereren om het gebouw stabiliteit te geven. Daar waar het eigenlijk als een gebouwde besteksomschrijving in elkaar valt.'

'Deze kantoren van de Belastingdienst gaan gebruikt worden door 'flexwerkers'. We hebben een interieur gemaakt voor mensen die in een open structuur werken, in transparante cockpits, semi-afgescheiden door iets groen getint glas. Glas dat daardoor net wat meer fysiek aanwezig is. We hebben in die glazen wanden ondoorzichtige panelen aangebracht om plaatsen te creëren die geconcentreerd werken mogelijk maakt. Het is nu al te zien hoe de verdiepingen gaan worden. Maar er wordt nog zoveel bijgedragen aan maatgevoel en proportie als straks de objecten komen die de ruimte mee gaat maatvoeren. Ik vind het fantastisch worden.'

 

 

 

Tekst: Lans Stroeve

Gepubliceerd in SMAAK: Stedenbouw, Monumenten, Architectuur, Architectuurbeleid, Kunst

Rijksgebouwendienst, Blad voor de Rijkshuisvesting,

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

april 2002, jaargang 2, nummer 6, themanummer duetten

 



Atelier de Haagse School


'Haagse groetjes'

 

Den Haag, Centraal Station. De immense hal. Slalom langs de reizigers. De drukte buiten. Denderende trams over de spoorbrug vlakbij, verkeer, chaos. Tramrails oversteken, fietsers omzeilen. Drilboren in het gehoor, iemand met een accordeon, gedreun van de bouw aan de overkant. De Hoftoren in aanbouw, de toekomstige huisvesting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

 

Aan de bodem van het bouwen staat een tachtig meter lange, beschilderde panelenwand om de aandacht te verleggen en gaat het hectische gewoon door, geconcentreerder, vormgegeven, beter te bevatten, 'echter dan in het echt'. Weer een bombardement van de zintuigen, eigen aan de stad, maar met een sprankeling en een enorme zuigkracht, in staat om in weg te raken, zoals je middenin een zitkamer met een goed boek kan verdwijnen uit een luidruchtig gezelschap. 'Haagse groetjes' heet dit kunstwerk en het heeft de macht om de omgeving te vergeten. Ik zie de gouden koets, ik volg twee mannetjes op skateboards hoog over de golvende banen van een abstactie. Ik bevind me in een vijver en kan alleen mijn fototoestel droog houden door het boven de waterspiegel te houden, er lopen overal mensen die ik niet ken maar die me toch overbekend voorkomen. Er zijn historische figuren, standbeelden tussen het verkeer. Bijzondere kleurpatronen om over te wandelen, muziek in de lucht en ik lig net picassoachtig naakt te wezen op het strand, tussen de schelpen, om naar een schip op de blauwe zee te staren, als een tram mij wakker belt en mij rinkelend van het hekje jaagt, waar ik, veel te dicht bij de rails, van de wereld was geraakt. Zomaar terug naar het alledaags Den Haag.

 

Ambassadeur

 

Deze schitterende stadsimpressie werd gemaakt door 23 kunstenaars van Atelier de Haagse School, een werkplaats en vakopleiding voor beeldend kunstenaars met een verstandelijke handicap. Het atelier is onderdeel van Stichting De Compaan, die zich bezighoudt met het vinden van woonruimte en werk voor deze mensen in de regio Den Haag.

Fred Nijssen, een van de makers van 'Haagse groetjes' fungeert als woordvoerder van de 23 kunstenaars en als ambassadeur van Atelier de Haagse School door regelmatig de pers te woord te staan. Naast de begeleiding die hij op het Atelier krijgt, volgt hij ook lessen aan de Vrije Academie in Den Haag. Nijssen: "Om los te komen, niet steeds in een beschermde omgeving te zijn maar ook om te werken in een grote groep 'normale' mensen."

Drie maanden hebben de kunstenaars gewerkt aan 67 platen die samen een beeldend geheel van 80 meter vormen. Ze hebben in overleg naar oplossingen gezocht. Er is goed gekeken hoe kleine en grote vormen bij elkaar passen, naar de overgangen in kleur en onderwerp, stijlen en technieken. Er is vooral met veel plezier gewerkt maar ook was het spannend en vergde het project in het beginstadium veel denkwerk. Hoe het ontwerp van miniatuur naar groot te krijgen en in het juiste verband te houden. En het was natuurlijk een project met veel mensen en dan krijg je hier en daar een meningsverschil: "Hoe zou je het vinden als ik hier effe overheen ga?" Maar uiteindelijk is iedereen tot zijn recht gekomen. Waren er meer pieken dan dalen? 'Meer pieken gelukkig. Maar zo zit ik in elkaar. En het hoort een beetje bij het kunstenaarschap."

 

Artotheek

 

Het nu zeven jaar bestaande atelier is in het centrum van Den Haag gevestigd. De werkruimte wordt binnenkort uitgebreid met het belendende pand; de begane grond met een aan de achterkant aangebouwde werkplaats. De achterruimte, een voormalige drukkerij, wordt al verbouwd en verfraaid. Het daglicht komt er van boven en het belooft een prachtige plek te worden om zowel te werken als de kunst te presenteren in de bijbehorende artotheek.

Atelier de Haagse School werkt zonder subsidies en draait voornamelijk op de verhuur en verkoop van de werken in de artotheek. 'Haagse groetjes' werd gemaakt in opdracht van en aangekocht door Stichting de Versiering. Deze aankoop maakt mede de verbouwing van de nieuwe ruimte mogelijk. Stichting de Versiering is een ideële instelling van Haagse ondernemers die zich ten doel stelt de lelijke plekken in de stad weg te werken door het plaatsen van kunst.

 

 

 

 

 

Tekst: Lans Stroeve

Gepubliceerd in SMAAK: Stedenbouw, Monumenten, Architectuur, Architectuurbeleid, Kunst

Rijksgebouwendienst, Blad voor de Rijkshuisvesting,

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

oktober 2001, jaargang 1, nummer 3 

 



Peter Luining


Interactieve kunst voor kantoorpersoneel

 

Bruggebouw-Oost is een van die gebouwen die op poten over de weg geplaatst zijn en waar je onderdoor rijdt als je uit de richting Rotterdam Den Haag binnen komt. Het Ministerie van Justitie is er in gevestigd, met op de eerste twee verdiepingen de Raad voor de Rechtspraak en op de overige drie verdiepingen van het gedeelte boven de weg zetelt de Directie Bestuurszaken.

Kunstenaar Peter Luining maakte voor dit gedeelte van het gebouw een installatie van vijf monitoren verspreid over vijf etages, getiteld: 'BGO_MUI*5'. Het zijn onderling verbonden lcd-monitoren in zwart kader met allen hetzelfde beeld, die op ooghoogte in de wanden gemonteerd zijn. Zo op het oog hebben ze iets van schilderijtjes.

 

Dialoog in vormen

 

Op de eerste etage hangt er eentje direct tegenover de uitgang van de lift. Een op het eerste gezicht abstracte voorstelling van vijf gekleurde vierkanten in een ruimte met grijze rechthoeken op een egaal gekleurde achtergrond. De vijf gekleurde vierkantjes staan te knipperen op het moment dat ik er voor sta, en zodra ik er eentjeaanraak verandert het beeld. Met mijn wijsvinger trek ik ze over het scherm waarbij ze van grootte veranderen en van plaats. Ik maak balken, vlakken en zet een vierkant tegen de zijkant. Op een andere verdieping wordt daarop gereageerd door iemand die zich bij een tweede monitor bevindt en ineens schuift een grote rechthoek over het scherm waarbij mijn compositie voor een deel verdwijnt. Om beurten verplaatsen we een vlak en zo ontstaat er een vreemde dialoog die op een gegeven moment zelfs lijkt te ontaarden in een kleine strijd wanneer we steeds op dezelfde plek een vlak over elkaar heen zetten.

Het is een vervreemdend spel met onbekende medespelers die zich ergens in het gebouw bevinden, een spannende Mondriaan-communicatie waarbij de compositie telkens onverwacht verandert. Bij iedere handeling klinkt er een ander geluid in de ruimte waardoor de spanning verhoogd wordt. Geluid dat in eerste instantie niet goed te herkennen is; voetstappen, geschuif, of rammelend bestek. Dat maakt dit gesprek in kleur en vorm indringender, er lijkt iets mee onderstreept te worden. Of er lijkt door een klein geluid juist iets in twijfel te worden getrokken.

 

Compositie in beeld en geluid

 

Peter Luining (1961) is 'multimedia kunstenaar' en woont en werkt in Amsterdam. Op het internet (www.ctrlaltdel.org) is veel van zijn werk te zien en is hij onder andere door de 'clickclub' bekend geworden. Hij studeerde filosofie en leerde in die periode met computers om te gaan. Hij raakte gefascineerd door de toepassing van programma's voor animatie. Luining leerde door bevriende schilders met andere ogen naar composities te kijken waardoor zijn werk rijker werd en niet alleen te zien bleef als ontwerpen op het scherm. Hij maakt 'sound engines'; kleine stukjes software, gebaseerd op Java en Flash; besturingsprogramma's voor beeldopbouw, om audiovisuele composities te maken waarbij de gebruiker de mogelijkheden moet ontdekken en daarbij het experiment bepaalt en tegelijkertijd de toeschouwer is.

 

Werkplaats

 

Zijn atelier is een rommelig appartementje op vierhoog waarin hij me, achter zijn computer zittend, te woord staat. Onderwijl met snelle grepen het toetsenbord bedienend waarbij er voortdurend knipperende, flikkerende of afwachtend statische composities te voorschijn komen en vreemde electronische geluiden de ruimte vullen. We praten over het project in het Haagse Bruggebouw-Oost. Luining: 'Ik vind het een gebouw met heldere architectuur en de high-tech past goed bij mijn werk. In eerste instantie was mijn installatie zo ontworpen dat er op de vijfde verdieping drie monitoren zouden komen en beneden in het gebouw twee bij de liftingangen. Dat vond ik een mooie compositie binnen het geheel. Omdat één van die ingangen alleen gebruikt wordt door de mensen van de bovenste verdiepingen; de Directie Bestuurszaken, zou de Raad van de Rechtbank slechts één monitor krijgen, namelijk alleen die bij hun ingang. Maar bij de eerste vergadering kreeg men door dat het een niet-statisch kunstwerk betrof, een werk waarbij men zelf kon ingrijpen, interactief kon zijn, en veranderde de bij aanvang sceptische houding van de werknemers in grote interesse en wilden ook zij graag volwaardig meedoen. Ik heb toen de compositie veranderd zodat de verdeling van de monitoren voor iedereen beter werd.'

 

Een brug slaan

 

'De installatie slaat door de mogelijkheid tot communicatie een brug tussen de afdelingen. Het communicatieve binnen de interactie is de kern van mijn werk. Dat is ook het fascinerende van Internet. Dit kunstwerk is in het klein een netwerk, binnen een gebouw. Maar het is in wezen hetzelfde.'

'Het beeld dat je in aanvang ziet op een monitor is een geabstraheerd zijaanzicht van het gebouw waarbij, in de oorspronkelijke positie, de vijf vierkantjes de locatie van de monitoren in het gebouw aangeven. De kleuren van de vierkantjes zijn gebaseerd op de eerste vijf kleuren, wit niet meegerekend, van de 256 kleuren uit het palet waarmee de software werkt. De primaire kleuren rood, geel en blauw en dan volgen grijs en lichtblauw. Groen heb ik voor de basisachtergrond gebruikt. Per blokje is daar een soundtrack aan verbonden met vervormd, electronisch geluid van verkeer, voetstappen, regen, vogels en de kantine, gerelateerd aan de positie van de monitor binnen het gebouw. Hoe groter je het desbetreffende blok maakt hoe harder de soundtrack klinkt. Achter de plafondplaten zijn de geluidsboxen onopvallend weggewerkt.

De gelaagdheid van het werk zit in de bijna oneindige variatie in geluid en beeld. De ruimte boven het gebouw en tussen de poten waar het op staat verbeeldt de hemel en is overeenkomstig ons klimaat en de wisselende jaargetijden steeds anders van kleur en geeft wisselende grijs- en blauwtinten. Ook wordt het er donker wanneer het avond wordt. Het kunstwerk is een permanent gegeven binnen de ruimte van Bruggebouw-Oost en alle werknemers kunnen er mee spelen.'

 

 

 

Tekst: Lans Stroeve

Gepubliceerd in SMAAK: Stedenbouw, Monumenten, Architectuur, Architectuurbeleid, Kunst

Rijksgebouwendienst, Blad voor de Rijkshuisvesting,

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

juni 2002, jaargang 2, nummer 7 



Groot Haags preventieproject


Redden we de Toren van Babel uit eigen bezit of de Keith Haring in bruikleen? 

 

 

In Den Haag zijn negentien instellingen met beheer over belangrijke cultuurhistorische collecties tot daden over gegaan wat hun preventiebeleid tot calamiteiten aangaat. Op 4 juli jl., tijdens de startbijeenkomst in de Oude Zaal van de Tweede Kamer der Staten Generaal, werd door de samenwerkende deelnemers een symbolisch lege map aan Burgemeester Deetman aangeboden met de bedoeling aan te geven dat er in de komende periode veel werk zal worden verzet om een preventienetwerk op te bouwen en betere calamiteitenplannen te ontwikkelen voor mensen, gebouwen en collecties. Ter advisering waren ook de commissaris van politie en de brandweercommandant aanwezig. De coördinatie van dit -tot voorbeeld van de rest van ‘collectiebeherend Nederland’ dienende- Haagse project ligt in handen van het Instituut Collectie Nederland (ICN) en zal door hen de komende maanden ondersteund worden, waarbij het ICN zelf dubbel betrokken is door deelname met ICN afdeling Collecties in Rijswijk waar een belangrijke rijkscollectie wordt beheerd.

 

Watersnood

 

Nu zijn het de overstromingen in Europa die collectiebeheerders eens extra achter de oren hebben doen krabben. De actualiteit van de extreme regenval in augustus (ná de start van het Haagse Pilotproject) laat zien dat er snel en adequaat gehandeld dient te worden. Zo heeft onder andere NRC Handelsblad in augustus (Michel Kerres 27/08/02) een artikel gewijd aan de zwaar getroffen Duitse deelstaat Saksen waar door de watersnood voor ongeveer 60 miljoen euro schade aan kunstschatten toegebracht is. In Dresden werden in één nacht in grote haast elfduizend kunstvoorwerpen door 200 vrijwilligers uit de kelders van het museumcomplex Albertinum gehaald en ook in de even verderop gelegen Gallerie Alte Meister in de Dresdner Zwinger werd, bij kaarslicht, in recordtijd het ondergelopen depot leeggeruimd. De duizenden oude meesters werden ruggelings tegen elkaar gezet op hogere verdiepingen en in de kelders werden de grote stukken, heel inventief, horizontaal aan de plafonds gehesen om aan het stijgende water te ontkomen. Voor een aantal kleinere musea in die regio was er geen redden meer aan en zijn er collecties verloren gegaan. In verschillende Europese landen zoals Tsjechië en Oostenrijk was de ontreddering groot en de schade enorm. De materiële schade, uiteraard in de schaduw staand van de menselijke misère aldaar, geeft genoeg reden om in het laaggelegen, waterrijke Nederland kritisch te blijven kijken naar de, bijvoorbeeld, ondergronds gelegen depots waarin een gedeelte van het nationaal erfgoed aan kunstschatten verborgen ligt.

 

Instituut Collectie Nederland

 

Bij het ICN, onderdeel van het Ministerie van OCenW houdt men zich bezig met conserveringsonderzoek, cultuurbeheer, passieve en actieve conservering, opleidingen, communicatie en informatieverschaffing.

Antoinette Visser (hoofd afdeling Advies) en Eelke Boswijk (coördinator Haagse Pilot) vertellen met groot enthousiasme over het project. Niet alleen is het nieuw in Nederland om per regio in clusters een samenwerking tussen collectiebeheerders te organiseren en te begeleiden, ook mondiaal gezien lijkt deze aanpak een unicum te zijn, althans, er waren wel ideeën over een regio-aanpak maar men dacht dan na over bijvoorbeeld heel Azië. De grote zusterorganisaties van het ICN in de wereld zullen nu, al of niet met leesbril, het kleine Nederland en de nog kleinere regio Den Haag in de gaten houden. Nederland had zich al op de kaart gezet door het Deltaplan, een internationaal gezien sensationeel project dat tien jaar in beslag nam en de achterstanden wegwerkte op het gebied van behoud en beheer. Het heeft voor een enorme professionalisering gezorgd binnen collectiebeherend Nederland. De rest van de wereld droomt van zo’n project.

De gedachtegang achter het Haags Preventieproject is niet buitengewoon ingewikkeld. Het is eigenlijk een voor de hand liggende oplossing. Geen woorden maar daden in een stap voor stap begeleid proces met een overzichtelijke groep deelnemers. Het zal uiteindelijk resulteren, voor het einde van dit jaar, in een ‘gevulde map’ voor burgemeester Deetman.

Antoinette Visser: “Aanvankelijk waren er een aantal hindernissen te nemen. De menselijke factor was er zo een. Waarom kwam men niet verder dan een calamiteitenplan op papier? Wat moest er gedaan worden om tot professionaliteit te komen en te zorgen dat het huiswerk gedaan werd? Psychologisch lijkt het zo te werken dat je eerst de rampen nodig hebt om dan pas tot daden over te gaan. Het principe van ‘het zal de buren wel overkomen’. Maar je moet natuurlijk van te voren de zaken op orde hebben. Het is lastig want je hebt te maken met aan de ene kant de mensen van de afdeling bedrijfsvoering en aan de andere kant de mensen met de zorg over de collectie; de restoratoren, de conservatoren. Terwijl het in de eerste seconden vaak aankomt op de tegenwoordigheid van geest van de suppoosten. Dat betekent wel dat verschillende afdelingen binnen een organisatie heel goed moeten samenwerken. Daarbij, heel belangrijk, is de grote deskundigheid van brandweer en politie aangetrokken. Al met al is het meer een organisatieprobleem dan een gebrek aan expertise.

Onze inbreng is ondersteunend en faciliterend. Door het aangeven van deadlines komt er druk op de ketel. En het geven van status aan het project helpt, evenals de feestelijkheden rond de presentatie. Den Haag heeft een prachtige voorbeeldfunctie doordat binnen de regio ongeveer alle soorten musea en collectiebeheerders vertegenwoordigd zijn die met elkaar deze aanpak kunnen toetsen.”

 

Voor de klas

 

Een aantal clusterbijeenkomsten is al achter de rug. Eelke Boswijk: “De onderverdeling gaat als volgt; een groep rond het Centraal station, de z.g. ‘papiergroep’ waarbij instellingen als de Koninklijke Bibliotheek en het Nationaal Archief zijn aangesloten, een groep musea en collectiebeheerders rond het Binnenhof , zoals b.v. het Mauritshuis en Museum Bredius en een overige groep, ook weer redelijk dicht bij elkaar, waarbij onder anderen het Haags Gemeentemuseum is aangesloten. We nodigen steeds de twee polen bedrijfsvoering en collectiebeheer uit waarbij de discussie goed op gang komt. ‘Voor de klas’ staat Ton Cremers als adviseur en ik fungeer als voorzitter.” Aldus Eelke Boswijk, en zij vervolgt: “Vast op de agenda staat ondermeer het gespreksonderwerp ‘incidenten en bijna-incidenten’ en terwijl men dat, over het algemeen, een wat hachelijk onderwerp vindt, komen nu de tongen los in de beslotenheid van een groep collega’s. Dat is leerzaam. Zo komen we op de grappige terminologie ‘eerste hulp bij collectie-ongelukken’ en integreert de collectie structureel in het calamiteitenplan. ”

 

Vandalisme, brand en diefstal

 

Ton Cremers, adviseur van het project, was ruim dertien jaar securitymanager bij het Rijksmuseum in Amsterdam en heeft nu een zelfstandig adviesbureau. Al zes jaar  beheert hij de internationaal geprezen website www.museum-security.org, met wereldwijd circa 2000 mensen uit negentig landen op de mailinglist. Cremers heeft een enorme expertise opgebouwd op het gebied van cultuurbehoud en -beheer en kent de verhalen uit de praktijk als geen ander.

De calamiteitenplanningen van musea gaan veel verder dan brand, overstromingen, of technische storingen. Het onderwerp criminaliteit hoort daar zeker bij. Cremers: “Ik was er bij aanwezig toen iemand zuur gooide over de Nachtwacht, zo’n jaar of tien geleden. En toevallig was in een aangrenzende zaal een filmploeg van de VPRO bezig met het maken van een kinderfilm en heeft vervolgens de calamiteit rond de Nachtwacht vastgelegd. Het was een Fellini-achtige situatie; we waren erbij, de televisie was er bij, heel raar. Je hoorde het zuur bijna bruisen en er verschenen witte strepen. De suppoosten, die uitgebreid geïnstrueerd waren hoe ze moesten handelen in dit soort situaties, hebben geweldig gereageerd, echt volgens het boekje. Het leek wel een model-oefening. Terugkijkend kan ik niet zeggen dat er ook maar iets fout is gegaan bij de behandeling van dit ‘incident’. De mensen die er werkten hebben het schilderij gered.”

“Een beginnende brand in het Rijksmuseum was een minder goed verhaal waarbij later bleek dat we duidelijk te weinig geoefend hadden. ‘Toren 1’ waar de brand achter een gesloten deur ontstond (waarvan men de sleutel in eerste instantie niet meegenomen had), was intern onder die naam bekend maar niet als zodanig bij de brandweer. Het was gelukkig nog met een brandblusser te doven maar had slecht af kunnen lopen.”

“En het vreemde verhaal van een diefstal. Er was een beeldje gestolen waarvan de melding binnen kwam toen ik me juist in de meldkamer bevond. Ik had onmiddellijk de deuren laten sluiten en de politie gebeld. Er waren ongeveer drieduizend bezoekers binnen. Dat verliep verder rustig, de mensen die binnen waren wisten van niets maar niemand kon ongecontroleerd het pand verlaten. Helaas was het 1 april en juist de medewerker bij de dichtstbijzijnde deur dacht dat ik een grapje maakte. Beeldje weg.”

“De vuurwerkramp in Enschede, waarbij ook het Rijksmuseum Twente behoorlijke schade opliep doordat een weggeblazen betonblok dwars door het dak viel, heeft de zaak wel aangezwengeld. Maar in de praktijk hebben musea vooral te maken met waterschade: ondergelopen kelders of dakbeschadigingen.

De Rijksgebouwendienst heeft voor het  Rijksmuseum in Amsterdam een tunneldepot gebouwd met alle moderne voorzieningen maar wel weer onder het grondwaterniveau. Voor iedere oplossing is weer een ander probleem.”

 

Huiswerk

 

Cremers: “Bij calamiteiten planning doet men soms een beetje geheimzinnig vanwege de vaak geheime beveiligingsplannen. Er staan echter van een aantal Amerikaanse instellingen complete calamiteitenplannen op het internet, zelfs met plattegronden. Geheimzinnigheid is vaak een gebrek aan professionaliteit. Of omdat men de zaken niet geregeld heeft. Museum Bredius in Den Haag vind ik een goed voorbeeld van een klein museum dat zijn zaken heel goed geregeld heeft.”

 

Het grote voordeel van dit preventieproject is dat er een deadline vast gesteld is voor het maken van een calamiteitenplan. Wanneer men weet dat er een tentoonstelling moet komen wordt er desnoods ’s nachts doorgewerkt. Nu is er een kunstmatige deadline voor een calamiteitenplan. De deelnemers komen bij elkaar, krijgen ‘huiswerk’ op. En bij de clusterbijeenkomsten zie je dat men niet voor elkaar wil onderdoen en dat werkt dan extra stimulerend.

Een ander voordeel van het werken met clusters is dat men met elkaar kan afspreken dat er in geval van nood opvang voor een collectie is in een museum in de buurt.

Het hele idee is ontstaan omdat bleek uit een onderzoek van de Inspectie Cultuurbezit dat er maar heel weinig musea een calamiteitenplan hadden. En de musea die het wel hadden gingen vaak niet verder dan de eisen van de brandweer en dan vooral gericht op mensen; een ontruimimgsinstructie, anders niet. Met de collectie werd geen rekening gehouden.

Cremers: “Het Instituut Collectie Nederland had aan mij gevraagd daar eens een oplossing voor te bedenken. Ik ben nu 54, toen 53 en ik dacht als ik het ga doen kan ik misschien voor 2 of 3 musea per jaar een plan maken maar ik moet wel heel oud worden wil ik het voor allemaal doen. Toen heb ik het voorstel ingediend om het per regio in clusters of groepen te doen. De deelnemers doen het zelf maar wij nemen ze aan de hand. We geven de richtlijnen, organiseren bijeenkomsten. Ze hebben dus voortdurend een hete adem in de nek. Dat heeft het voordeel dat veel musea in korte tijd de zaken op orde hebben.

Wanneer een plan door een buitenstaander wordt geschreven krijgt een museum een hele mooie map met een prachtige lay-out maar het verdwijnt waarschijnlijk in een la. Als men het zelf schrijft zal men niet alleen met onze informatie werken maar ook binnen de eigen gelederen naar expertise zoeken. Ze moeten met elkaar in gesprek komen. De discussie moet op gang komen. Dan gaat zo’n plan leven. De restauratoren worden erbij betrokken; wat moet er gebeuren bij gevaarlijke stoffen, hoe moet je de schilderijen snel verplaatsen, welk verpakkingsmateriaal, lijsten met waarschuwingsadressen, contacten met transportfirma’s, al dat soort dingen. En de volgende stap is dat mensen voorlichting krijgen, trainingen krijgen, oefeningen gaan houden.

En vooral belangrijk: het maken van prioriteitenlijsten; wat moet als eerste de deur uit. Daar krijg je interessante discussies over: bruikleen eerst of eigen collectie eerst? Bruikleen eerst lijkt fatsoenlijk maar ons standpunt is dat het gaat om de belangrijkste cultuurhistorische stukken. Want anders zou het kunnen betekenen dat bijvoorbeeld bij Museum Boymans de toren van Babel blijft hangen omdat de Keith Haring-tentoonstelling de deur uit moet. Dat lijkt niet reëel.

De bedoeling is dat het preventiebeleid bij allen uiteindelijk zo goed wordt dat er, om met de security-verantwoordelijke van de Tweede kamer te spreken, calamiteitenplannen gemaakt zijn om te voorkomen dat incidenten uitgroeien tot calamiteiten.”

  

DEELNEMENDE INSTELLINGEN:

 

Koninklijke Bibliotheek

Nationaal Archief

Inspectie Cultuurbezit

Ministerie van OCenW (Hoftoren)

Mauritshuis (en Galerij Prins Willem V)

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Haags Historisch Museum

Museum de Gevangenpoort

Museum Meermanno-Westreenianum /Museum van het Boek

Gemeente Archief Den Haag

Museum Bredius

Haags Gemeentemuseum (en Museum Het Paleis)

Instituut Collectie Nederland (afdeling Collecties in Rijswijk)

Museum voor Communicatie

Museon

Museum Beelden aan Zee

Museum Mesdag

Panorama Mesdag

Het Koninklijk Huisarchief

 

Museum Bredius, het Mauritshuis en het Koninklijk Huisarchief: als voorbeelden van de negentien instellingen die deelnemen aan het preventieproject en een inventaris hebben gemaakt van de collectie, de manier van beheren en hoe te handelen bij rampen.

 

Mauritshuis

 

Een toeristische trekpleister is in Den Haag het Mauritshuis. Het uit 1640 stammende classicistische gebouw herbergt sinds 1822 het Koninklijk Kabinet van Schilderijen, een prachtige presentatie van Hollandse en Vlaamse schilderkunst van de vijftiende- tot de achttiende eeuw. De kern van de collectie wordt gevormd door topstukken uit de Gouden Eeuw, waaronder schilderijen van Vermeer, Rembrandt en Frans Hals.

Zakelijk directeur Rik van Koetsveld heeft een behoorlijk commitment ten aanzien van het security management. Het is een onderwerp waarover bij het Mauritshuis al veel is nagedacht, bijvoorbeeld d.m.v. risico analyses. Op de vraag of er in het verleden incidenten zijn voorgevallen die anders behandeld hadden moeten worden antwoordt van Koetsveld na een kleine stilte: “Hoeveel tijd hebt u?” “Ja, er zijn natuurlijk altijd wel dingen die je anders had moeten doen.” Het Mauritshuis heeft in de kelder een ruim, modern depot, aangelegd in de jaren ‘80, dat gelukkig nog nooit waterschade heeft opgelopen. Vandalisme, kortsluiting en een stroomstoornis zijn de incidenten die van Koetsveld benoemt.

Hij is goed te spreken over het preventieproject en hij was aanwezig op de startbijeenkomst. “We hadden al een calamiteitenplan maar ik moet toegeven dat we door het ICN nader naar risico’s zijn gaan kijken en dat het heel goed is je plannen te actualiseren. Om niet alleen te kijken naar de toplijst maar ook voor de rest van de collectie de zaken goed te regelen. Het kan altijd beter. De samenwerking met andere collectiebeheerders ervaren we als zeer nuttig.” Op de clusterbijeenkomsten is het Mauritshuis vertegenwoordigd door iemand van de afdeling collectiebeheer en een collega van de afdeling beveiliging. Wat de prioriteitenlijst betreft is het Mauritshuis van mening dat de stukken in bruikleen in zekere zin voorrang verdienen omdat de cultuurhistorische waarde van deze stukken vaak niet onderdoet voor de stukken uit eigen collectie. “Met regelmaat lenen wij topstukken van andere instellingen of van particulieren.” Het voorbeeld van de Keith Haring-tentoonstelling versus de ‘toren van Babel’ vindt van Koetsveld (terecht) moeilijk; “Haring is ook een interessante kunstenaar. Ik weet niets van de omvang van het werk en het is de vraag of het allemaal unica zijn.” “Maar de ‘toren van Babel’ zou ik ook graag willen behouden,” voegt hij daar ‘tongue in cheek’ aan toe.

 

Museum Bredius

 

Het kleine Haagse Museum Bredius, gehuisvest in een grotendeels authentiek pand uit 1755 pal tegenover de Hofvijver, beheert de collectie van kunstverzamelaar Abraham Bredius (1855-1946), die ondermeer twintig jaar lang directeur van het Koninklijk Kabinet van Schilderijen Het Mauritshuis in Den Haag was. Bredius was tijdens zijn leven een verwoed verzamelaar van Hollandse schilderkunst uit de 17e eeuw. Zijn breed samengestelde collectie omvat naast werken van beroemde schilders als Rembrandt, Jan Steen en Adriaen van Ostade, ook prachtige stukken van minder bekende meesters.

Het huiselijke van dit fijne museum; het meubilair, de gedekte eetkamertafel, de tiktakkende staande klok en het knerpen van je schoenen op het parket in de stille kamers (gemiddeld zo’n tien a vijftien bezoekers per dag) geeft precies de juiste entourage voor deze mooie collectie schilderijen.

Beheerder Herman Schwartz is zeer te spreken over het preventieproject van de deelnemende collectiebeheerders. Hij heeft veel werk gemaakt van een overzichtelijk calamiteitenplan met foto’s van technische installaties, plattegronden, vluchtroutes en een korte, duidelijke prioriteitenlijst met afbeeldingen van de belangrijkste cultuurhistorische stukken waarbij er indachtig die selectie tevens een kunstwerk-in-bruikleen in de top-drie van zijn lijst staat.

Naast de originele keuken in het souterrain bevindt zich een klein depot met rekken voor schilderijen en bergruimte voor overige zaken. In het verleden heeft er wel eens een laagje water in gestaan door overvloedige regenval en een verstopte put op de binnenplaats op keukenraam niveau. Een bekend gegeven in Nederland. Bovenin het gebouw bevindt zich nog een depot met daarin ongeveer 35 schilderijen.

De verzameling van Museum Bredius is eigendom van de gemeente Den Haag. Nadat de gemeente, in 1985, om bezuinigingsredenen het -tot die tijd in de voormalige woning van Bredius aan de Prinsegracht gevestigde- museum besloot te sluiten stichtten enkele particulieren kort daarna het Bredius Genootschap met de doelstelling de collectie toegankelijk te houden voor het publiek en heeft men dankzij schenkingen van sponsors het huidige pand kunnen betrekken. Museum Bredius is ongesubsidieerd.

 

 

Koninklijk Huisarchief

 

Het Koninklijk Huisarchief maakt deel uit van de Hoforganisatie en is belast met het beheer en de ontsluiting van de archieven en de (kunst-) historische collecties van het Huis Oranje-Nassau. Het neo-renaissancistische gebouw waarin het Koninklijk Huisarchief is gehuisvest werd gebouwd in de jaren 1895-1899. Sinds oktober 1998, na twee jaar bouwen, is het gebouw uitgebreid met een nieuw, ondergronds gebouwd depot, onzichtbaar onder een fraai aangelegde tuin. Bijna tien meter diep liggen twee verdiepingen archiefdepot met een vloeroppervlakte van ca. 1200 m²  voorzien van liften naar het oorspronkelijke gebouw die daar onopvallend uitkomen tussen de oude archiefkasten. Het geheel is in eigendom van Stichting Historische Verzamelingen  van het Huis Oranje-Nassau.

Het Koninklijk Huisarchief omvat vier afdelingen: het archief, de bibliotheek, de kunstverzamelingen en de documentaire verzamelingen. Onder deze afdelingen vallen ook collecties handschriften, kaarten, topografische tekeningen, prenten, een muziekbibliotheek en een omvangrijk fotoarchief. De toegang en het gebruik van de collecties voor wetenschappelijke doeleinden worden bepaald in het reglement van het Koninklijk Huisarchief. Verzoeken kunnen schriftelijk worden ingediend. Ongeveer twee maal per maand zijn er, op aanvraag, groepsrondleidingen in het gebouw.

Charlotte Eymael, hoofdarchivaris, is al twintig jaar werkzaam bij het Koninklijk Huisarchief. Van haar krijg ik een geweldig interessante rondleiding. Een prachtige verzameling portretminiaturen, gedenkpenningen en huldeblijken, kunstschatten en meubelen maar ook bijvoorbeeld de koninklijke wieg of met ‘Wilhelmina’ gesigneerde houtskooltekeningen behoren tot de collectie.

Het Koninklijk Huisarchief kwam als laatste deelnemer bij het Haags Preventieproject. Na kennisname van een publicatie over het project in Museumberichten wilden ze graag meedoen. Ze waren wel bezig met een calamiteitenplan maar dat kwam nog niet echt tot stand, dat wil zeggen; het was nog niet tot een geheel gesmeed. Eymael beschouwt deelname als heel zinvol. “We kunnen gedeeltelijk bestaande, plannen overnemen van andere instellingen, met elkaar van gedachten wisselen en onderling afspraken maken over eventuele wederzijdse hulp bij calamiteiten. Wij hebben gelukkig een aantal unieke stukken in een kluis die erg veel kan hebben. Ten aanzien van de lengte van een prioriteitenlijst moet men natuurlijk ook rekening houden met het aantal mensen dat kan zorgen voor evacuatie in geval van nood. Dat verschilt per instelling. Wij zijn gemiddeld met zo’n dertien mensen aanwezig in het gebouw. Op het omringend terrein is permanent bewaking van de marechaussee aanwezig. De keuze tussen eigen collectie en bruikleen hoeven we niet te maken. Omdat we zelf geen tentoonstellingen organiseren in het gebouw hebben wij geen bruiklenen.

Behalve een beetje wateroverlast in het souterrain, toen half Den Haag blank stond tijdens hevige regenval, hebben we hier geen incidenten meegemaakt. Sindsdien hebben we een goed drainagesysteem. Even afkloppen.”

 

 

Tekst: Lans Stroeve   

Gepubliceerd in SMAAK: Stedenbouw, Monumenten, Architectuur, Architectuurbeleid, Kunst

Rijksgebouwendienst, Blad voor de Rijkshuisvesting,

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

oktober 2002, jaargang 2, nummer 3

 

Opgedragen aan mijn vader, Jan Coenraad Stroeve, † 5 oktober 2002 

     

                    

 



Baukje Trenning


Een archief van Rijkswaterstaat als kunstwerk

Baukje Trenning ('69) volgde haar opleiding aan de Academie voor Industriële Vormgeving, de tegenwoordige Design Academy, te Eindhoven en studeerde in 1994 af op een collectie betontegels (Stone Skins). Zij experimenteerde met de vormgeving van het oppervlak van beton. Er ontstonden prachtige vormen en reliëfs in de huid van de tegels waarbij zij de eigenschappen van beton 'tot op het bot' onderzocht en op orginele wijze vorm gaf in tegels die in niets meer lijken op de gebruikelijke, saaie betontegel. Ze lijken op stenen uit rivierbeddingen of patronen uit keienstranden, soms op geheel ander materiaal, zoals zand, boomwortels en zelfs water.

Ook het eenvoudige, witte badkamertegeltje nam Trenning onder handen. (TacTiles '98-'99, in productie genomen door Koninklijke Tichelaar in 2001.) In haar bewerking worden ze zachter, bollend soms, alsof de wind er van achter tegen blaast. Of er zitten kleine bobbeltjes op, en kuiltjes in, zodat de tegelhuid wel heel letterlijk een huid wordt. Aaibaar, zinnelijk, bijna erotisch.

Trenning woont en werkt in Amsterdam in een nieuwbouw woonhuis annex atelier. Veel van haar ontwerpen zijn er aanwezig. De wc is betegeld met de TacTiles (even aaien) en tegen de muren staan beendikke keramische buizen, geknakt alsof ze van schuimrubber zijn gemaakt en bezweken onder eigen gewicht. Ze maakten deel uit van een opstelling in Cargo te Almere;onder de titel Aangedaan, waar de objecten geëxposeerd werden die zij maakte tijdens een werkperiode in het Europees Keramisch Werkcentrum te 's-Hertogenbosch.

Werk in opdracht voor een gevelrenovatie ligt klaar in haar atelier. Het zijn betonnen vensterbanken met daarin uitgespaard de namen van vroegere bewoners van het betreffende gebouw.

Met haar werk won Trenning diverse prijzen en zij kreeg verschillende werkbeurzen.

 

Stoer Zeeland

 

Op een uitgestrekt terrein bij de sluizen van Hansweert op Zuid-Beveland richtte Baukje Trenning in opdracht van Rijksgebouwendienst een gebied van Rijkswaterstaat en het Korps Landelijke Politie Diensten in. De materialen waarmee zij in dit 'budgetloze project' kon werken waren al op het terrein en in het depot aanwezig; bomen, hekwerk, kinderkoppen van Portugees graniet, grond, stapels meerpalen, grond, en, interessant: kanonslopen. Met deze gegevens maakte Trenning een fascinerende rangschikking, een ingetogen ordening in een beeldtaal passend bij het weidse, kale en stoere Zeeland. Strakke lijnen en strepen, een bijna grafische stilering, met hier en daar onderbrekingen net als in het Zeeuwse coulissenlandschap, waarbij de toeschouwer door maat en perspectief voortdurend op het verkeerde been wordt gezet.

Subtiel, maar zeer effectief, zijn haar kleine ingrepen, zoals een verticale ijzeren plaat tussen op elkaar liggende meerpalen die langzaam in het hout lijkt te snijden en een bijna pijnlijk idee van gewicht geeft. Of de 'duopalen' van dezelfde lengte, liggend en staand, zodat we, ondanks onze horizontaal ingestelde manier van kijken, kunnen ervaren hoe hoog deze palen de lucht in prikken.

 

Kanonnen

 

In de oude haven van Hansweert, die vroeger anders was gesitueerd, vond men bij het afbreken van de oude kademuur de kanonslopen die er in verborgen waren. De kleine stukken die er uitstaken werden gebruikt als bolders om schepen aan af te meren. Het zijn 17e eeuwse kanonnen uit de tijd van Michiel de Ruyter. Veel daarvan zijn weg gegeven aan musea en steden, bijvoorbeeld ter verfraaiing van de stadswallen. Om de herinnering te bewaren aan de hoeveelheid die er gevonden is heeft Trenning schaaldelen laten maken van de kanonnen. Alsof het mallen zijn en de mogelijkheid bestaat om er meer te maken en alsof de weggeschonken exemplaren erin gezeten hebben. Dat is een intuïtieve, kunstzinnige benadering aangezien de echte gietijzeren kanonnen in vormzand werden gegoten. De lopen in schaaldelen en de lege schaalvormen liggen willekeurig verspreid in de strakke ordening van dit materialenarchief en benadrukken door dit speels effect de regel van de rechte lijnen. Ze wijzen allen in dezelfde richting, Zuidwest, de overwegende windrichting in Nederland, en lijken op die manier het gevaar van wind en water af te wenden. Leeg zijn de schaaldelen opvallend licht in de omgeving en liggen ze naakt als gebeente tussen de begroeiing.

 

Het terrein is ingezaaid met inheemse kruiden en planten, waarbij het zogenaamde 'ruigtebeleid' wordt toegepast. Dat betekent één keer per jaar maaien en heeft tot gevolg dat de sterke planten overleven. Het wordt vanzelf minder 'bloemig' en daar is Trenning wel content mee.

 

Schip in landschap

 

Het nieuwe gebouw van Rijkswaterstaat en Korps Landelijke Politie Diensten, een ontwerp van Emiel Lamers, werd gebouwd in de tijd dat Trenning met de opdracht bezig was. In de zomer van 2000 werden haar eerste plannen voor de terreininrichting ingediend. Er was geen sprake van een 'duo-opdracht' maar wel van een zekere wisselwerking tussen vormgeefster en architect. Het project werd gaandeweg gevormd. Het ontwerp van het gebouw refereert aan een scheepsvorm, met boeg en achtersteven van glas. Trenning heeft de bestrating rondom het gebouw binnen doorgezet wat een samenhangend geheel oplevert.

 

De afbakening van het gebied ontstond min of meer automatisch doordat de regelgeving van het Rijk bepaalt dat er binnen zeventig meter vanaf de voet van de eerste zeewering en dertig meter vanaf de voet van de tweede zeewering niet gebouwd mag worden. Het gevolg van die normen is terug te zien in de beëindiging van de materiaalbanen, die ineens ophouden op tweederde van het veld, en zo een strakke achterlijn accentueren.

Funtionele zaken als brievenbussen en vlaggenmasten plaatste zij in een lage, metalen wand die tegelijkertijd als buffer dient en daarmee het algehele lijnenspel consequent doorzet. In dit strenge patroon schuilt onmiskenbaar de kwaliteit van het ontwerp.

Vanaf de sluizen van Hansweert is de compositie goed te overzien. 's Avonds wordt het werk verlicht, tevens ter beveiliging, en ontstaat er door de slagschaduwen weer een ander zicht op de indeling van de materialen. De sluiswachten hebben vanaf hun hooggelegen positie een mooi panorama op het werk en hebben een eigen interpretatie van het kunstwerk gemaakt. Zij zien het gebouw inderdaad als een schip en de inrichting van Trenning als een schematische voorstelling van strand en branding. Zeegezicht met schip. 'Fantastisch', is daarop het commentaar van Trenning.

Er schuilt een zekere dwarsheid in de manier waarop zij de materialen gebruikt, een onwil om genoegen te nemen met de dingen zoals ze zijn, die resulteert in een prachtige, verrassende vormentaal. Trenning: 'Ik gebruik materiaal als materiaal en ik heb daar geen hoogculturele of kunsthistoriche gedachten bij. Ik kan niet ontkennen dat ik vanuit esthetische grond werk maar vooral belangrijk vind ik het ritme, de herhaling en de massa van de materialen die ik kies. Juist daardoor ontdek ik de dingen die je ermee kunt doen.' 

 

 

Tekst: Lans Stroeve

Gepubliceerd in SMAAK: Stedenbouw, Monumenten, Architectuur, Architectuurbeleid, Kunst

Rijksgebouwendienst, Blad voor de Rijkshuisvesting,

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

februari 2003, jaargang 2, nummer 10