ArtFrame.nl
Lans Stroeve
 


 

KNIPPEN EN PLAKKEN

 

 

 

Zuid-Frankrijk. Zomerdagen. Met de gordijnen dicht naar tennis kijken, waarbij oma, van wie ik zielsveel hield, een andere bril droeg dan bij het kijken naar ‘Chifres et Lettres’, waaraan zij meeschreef, notitieblokje op de knie, en ook geregeld won. Dicht tegen haar aan zittend, in de schemer van de opbollende gordijnen, de deuren tegenover elkaar open, rook ik de wind met de geuren van de Provence: de eucalyptus in de tuin van de buren lager op de helling, de parfumfabriek in het dal, lavendel. Rondom het huis: de zomer, het witte licht, de muur van warmte waar je tegen aan liep als je je buiten waagde. Het monotone non-stop zagen van de krekels in de geel verzinderde tuin die in etages tegen de bergwand lag gestapeld en het harde fluiten van de kikkers in de waterreservoirs. Daar speelden de heren zwart-wit tennis op de televisie, kampioenen waarvan ik de namen nog niet wist. De camera stond statisch het veld te overzien, het publiek keek links en rechts, wendde om en om de blik, als een grote nee-schuddende eensgelijkheid, een unaniem ontkennen, breder schuddend naarmate ze lager op de tribunes zaten. Het beschaafde applaus, het massale ademhappen in de och’s en ah’s. En oma die precies op de goede momenten meedeed met de mensen op de televisie. Ja, oma had in haar jonge jaren zelf getennist en zij was er heel goed in geweest. Hoe trots was ik op haar. 

 

Sinds het einde van de 19e eeuw speelt men tennis zoals nu. Ik wist het niet maar de sport is in Frankrijk zelfs ontstaan. Tennis komt van ‘Tenez!’ wat ‘pak aan!’ betekent. Kijk aan. Dat verklaart misschien waarom wij zonder bezwaren de tijd voorbij laten varen terwijl wij kijken. En niets doen. Een bollend briesje in de gordijnen, buiten wat bedrijvigheid van mussen die iets onzichtbaars doen in de bladeren voor de ramen. En daarbij tsjilpen.       

 

In mijn familie, van beide kanten, werd er vanouds getennist en gehockeyd. Als linkse jaren-zeventig jongeling heb ik mij lange tijd, en deep down nog steeds een beetje, verzet tegen deze ‘elitesporten’. Als kind heb ik wel één of twee seizoenen tennisles gehad, dat hoorde dus bij de opvoeding, maar zodra ik begon te puberen hield ik het verder voor gezien. Met hockey waren ze te laat, toen riep ik al keihard Nee. Er werd verder niet geprobeerd mij aan het (team-) sporten (goed voor het karakter) te krijgen. Men was druk met eigen dingen. In verkiezingstijd verscheen er een VVD poster aan de ramen aan de voorkant. Wij jongeren plakten een PSP affiche op een ander raam. Zelfde huis. Andere wereld. En tennis werd tannis en niet voor mij.

 

Het losmaken kon een aanvang nemen. Ergens in de brugklas stopte mijn inzet. Ik maakte geen huiswerk meer en van lage cijfers lag ik niet wakker. Ik weet niet wat er precies met me gebeurde maar ik veranderde van een deelnemer in een buitenstaander. Een beschouwer. Natuurlijk moest ik daardoor snel het Lyceum verlaten (geaffecteerd pratende leerlingen die aan elkaar vroegen: ‘Wat doet je vader?’) en kwam ik op de Havo terecht. Ik keek goed om me heen maar deed nog steeds niets. Wilde, solidaire klasgenoten in een experimentele zittenblijversklas. Ik spijbelde. Af en toe gaf ik commentaar wanneer ik het ergens niet mee eens was. Ook bij de directie. Ik werd van school gestuurd. Daarna leerde ik, tot dan toe, de aardigste mensen kennen op de Mavo die zo goed was mij een plekje te gunnen. De taal die wij leerlingen onderling gebruikten was anders, sneller, grappiger en liet meer ruimte voor gevoelens dan ik van huis uit gewend was.

 

Wat haatte ik het subtiele plaatsen van ‘de ander’ aan de hand van het gebezigde taalgebruik. De verzwegen codes, de geheime rangen en standen, kleine verschillen die met minzame glimlachjes genoteerd werden; het onontkoombare van de rangschikking van de arme onwetende onder het kopje ‘burgerlijk’, alleen door het kiezen van het verkeerde woord: nee: duidelijk geen OSM-ertje. (Ken je deze afkorting?) Ik geef een aantal van die bewuste woorden, dat kan van pas komen maar vergeet ze liever snel: koelkast in plaats van ijskast, toilet i.p.v. WC (of nog beter: ‘W’), woonkamer in plaats van zitkamer en natuurlijk auto in plaats van oto. En wat schaam ik me voor het kleinzielige genoegen dat ik, ondanks alles toch nog steeds, bij mezelf bemerk wanneer ik iemand kan betrappen op foute woordjes in verder mooi en vrolijk taalgebruik. Niet fijn. Ons Soort Mensen.

 

Nederland, het ouderlijk huis. Wat bleef waren de zomerdagen, onwezenlijke rust in de schaduw van de linde, gordijnen dicht, en het kijken naar tennis. Kleur op de televisie. Het felle oranje op de buis mooi contrasterend met het complementaire blauw van de buitenlucht. Gravel was gemaakt van gemalen baksteen. Interessant. Op de poef hangen, blote voeten. Het pakkende kauwgombellengeluid van de lange rally’s.

 

Nog steeds nam ik zo min mogelijk deel aan de schoolactiviteiten maar spijbelen lukte nu niet meer. Diploma gehaald. Toen tergend langzaam doorgelopen op het modderpad van het onderwijs (ouderlijke dreigementen met ‘werken achter de kassa’ hielpen maar ten dele) met iedere dag een literair boek onder de arm, om de dag door te komen. Heel veel gelezen want veel blijven zitten. Toch nog het Havodiploma gehaald. Later, ná de Kunstacademie, via een colloquium doctum, zelfs nog even op de universiteit terecht gekomen. En daar was weer iedereen. Inclusief de vrinden, hockey, tannis, de oto en de afkomst. Maar het lukte me niet meer. Ik was nu echt, en helemaal, een vreemde eend in de bijt geworden.

 

Ramen en deuren dicht. Ook de gordijnen weer. Tennis kijken. Een etage tweehoog op het Noordereiland middenin bedrijvig Rotterdam. Nu een heel klein zwart-wit toestel met daarbovenop een rode, aluminium schotelantenne. Camp. Hiervan zijn alle beelden herinnerd in full colour. Getekend, geschilderd, gezeefdrukt. Gedacht vooral. En uitgeschreven.

 

Boven de vierbaansweg, boven de sporen, bovenop een bovenleidingportaal van de lijn naar Utrecht, een ooievaarsnest. We horen het klepperen vanaf de tennisbaan. Openbare tennisvereniging Blijdorp, Rotterdam, ligt ingeklemd tussen de uitvalsweg de stad uit, langs de Diergaarde, de snelweg naar Den Haag en de daarnaast en boven gelegen spoorwegen met de geelblauwe Intercity’s. Hier tennis ik met kunstenaars. De aan- en afvliegende ooievaars laten de lage zon flakkeren, in aan- en uitlicht in strepen, wanneer ze halverwege de populieren hun horizontale banen trekken. De groene bomen, de blauwe lucht, het grafisch zwart-wit van de grote vogels. Uit de lange, rode snavels bungelen af en toe de beentjes van een kikker. Ze leiden ons af. We tennissen voornamelijk in slow motion.

 

Op de televisie zien we die zomer dat er een duif wordt doodgetennist, live, tijdens een herendubbel. Ook in mijn eigen leven worden daarna grote gaten geslagen door rampspoed.

 

Het is later. We zijn ergens anders. Speciaal voor het Schrijvers Tennis Toernooi, waar ik voor het derde jaar aan meedoe, heb ik me nu ingeschreven bij een echte vereniging. Men speelt hier wel voornamelijk tannis. Het is om te oefenen. Niet om goed voor de dag te komen bij ons soort schrijvers. Met een boek onder de arm en een racket op de schouder volg ik, na een partijtje, mijn hond achter de bal aan. Meedoen tijdens het spelen. Wij zijn vaak buiten.

 

Tijdens de uitwisselingswedstrijden is er bij de, overigens heel aardige, dames eentje die zó keurig algemeen beschaafd Nederlands spreekt dat ik haar aanvankelijk niet verstond; ik dacht in eerste instantie dat ze Engels sprak. Ik zei: ‘I beg your pardon?’ Later hoorde ik dat het heel deftig Haags was. Zeer voorname kak. Toen ze tijdens onze wedstrijd een bal buiten de lijntjes speelde riep ze heel hard ‘Cut!’ Daar keek ik wel van op. Niemand reageerde. Annie M.G. Schmidt, glas wijn in de ene hand, sigaret in de andere, vertelde, (in een interview met Ischa Meier - ik zie hem, in herinnering, steeds nét op tijd de asbak onder het aftikken van haar askegeltje plaatsen - ) dat ze graag bij de film had gewild, voornamelijk om heel hard ‘Cut!’ te mogen roepen. Maar bij deze mevrouw op het tennisveld ontbreekt die vreugde in de uitspraak.

 

‘Cut’ en ‘Paste’; twee functies op het tekstverwerkingsprogramma van de eerste Atari computer waarmee ik werken kon. Knippen en plakken. Afgesneden zijn en weer lijmen.

 

Wat had ik graag een aantal delen uit mijn leven kunnen knippen. Grote verliezen met een muisklik weg te kunnen werken. En in de geschiedenis van de wereld: hele decennia, knip! losse, schokkende data, knip knip! om een lang verhaal van groot geluk te kunnen maken. Een eindeloze Zuid Franse zomerdag, gordijnen dicht.

 

Buiten de tijd te kijken naar het tennis op tv.

 

Het hele bestaan maakt cirkelbewegingen, grote maalstroom in de rondte, en via vage, kronkelende zandwegen, loop ik nu op één van die gebaande paden, oranjerood, achter de heggen. Een generaties lang belopen gravelveld. Buiten de lijnen blijvend om de wedstrijd niet te hinderen, loop ik, door het zijhekje verdwijnend.

 

Door te dichten hier terecht gekomen?

 

 

 

 

 

 

 

Knippen en plakken

van Lans Stroeve, de twintigste aflevering (XX) van de Dordtse Tennis Cahiers, verscheen ter gelegenheid van het 28e Schrijvers Tennis Toernooi dat op zaterdag 24 augustus 2013 werd gehouden op de banen van DLTC te Dordrecht. De oplage bedraagt honderd genummerde en door de auteur gesigneerde exemplaren.

Eerder verschenen Dordtse Tenniscahiers: I Hugo Pos, II Mels de Jong, III Tim Krabbé, IV Nicolaas Matsier, V Ton Anbeek & Eric de Marez Oyens, VI Anton Korteweg, VII Guus Luijters, VIII Hans Ree, IX Gerard Koolschijn, X Mensje van Keulen, XI Kester Freriks, XII Iris Huizinga, XIII Jan Donkers, XIV Tonnus Oosterhoff, XV Henk Verkuyl, XVI Marijke Hilhorst, XVII Jan Fontijn, XVIII Paul Beers, XIX Flip Broekman